U bent hier: Start > Over PGB

Stand van zaken PGB experiment april 2009

De PGB houders

De PGB houders zijn geselecteerd uit de CRZ en de wachtlijst PAB. Budgethouders worden van de CRZ lijst weggehaald. Indien ze nu reeds zorg hebben (bv. een wachtende op TNW, die reeds een dagcentrum bezoekt), moet de zorg worden stopgezet of opgenomen via het PGB. Budgethouders die in de loop van het experiment stoppen, nemen opnieuw hun oorspronkelijke plaats in op de CRZ lijst, met dezelfde startdatum en urgentiecode.

Ingeval van PAB nemen ze ook hun oude plaats weer in. Budgethouders die in het experiment blijven tot 31 december 2010, krijgen zorggarantie. Wat dat precies betekent, moet nog duidelijk worden. Ofwel krijgt het PGB een definitieve vorm, ofwel zullen ze na die periode PAB of zorg-in natura krijgen.
De cliënten wiens zorgbehoefte toeneemt, omwille van het evolueren van de handicap, kunnen om een herinschaling vragen in de loop van het experiment.

Het PGB

Het PGB is geen inkomen. Het is bedoeld voor de betaling van ondersteuning.
De woon – en leefkosten betaalt de persoon zelf.
 In het kader van het experiment is wel toegelaten dat de persoon opgevangen wordt binnen gesubsidieerde infrastructuur.
Het PGB kan ook niet ingezet worden voor (para)medische prestaties die ook via het RIZIV kunnen.

PGB houders kunnen met hun budget hun ondersteuning organiseren

  • via persoonlijke assistenten
  • ze kunnen terecht bij reguliere diensten
  • ze kunnen inkopen bij licentiehouders.

Al de voorgaande mogelijkheden kunnen ook soepel gecombineerd worden. Dit alles
natuurlijk binnen hun maximaal toegekende budget.
We overlopen de mogelijkheden.

Persoonlijk assistenten

Voor wie werkt met persoonlijke assistenten gelden dezelfde regels als in het PAB. Het gaat om huishoudelijke ADL, lichamelijke activiteiten, dagactiviteiten, verplaatsingen, assistentie in school of werk, agogische en (ortho)pedagogische begeleiding. Daarnaast kan het ook voor permanentie overdag of ’s nachts worden ingezet.

Reguliere diensten

Het PGB mag aangewend worden voor het persoonlijk aandeel van reguliere welzijnsdiensten, zoals gezinshulp, oppasdiensten, thuiszorgdiensten  . . .
Het is niet bedoeld om de totale kost van die dienstverlening te betalen.

Licentiehouders

Een persoon kan inkopen bij een licentiehouder. Dit is de formule zorg in natura (ZIN). Dit gebeurt buiten de erkende capaciteit.
Een licentiehouder is een voorziening/organisatie die binnen het PGB experiment toelating heeft om zorg te verstrekken. Het VAPH geeft de licenties.

Alle door het VAPH erkende diensten en voorzieningen zullen via een eenvoudige procedure
een licentie kunnen krijgen. Het VAPH zal daarover nog berichten. Alle diensten en voorzieningen kunnen zich aanbieden. De PGB houders kunnen immers over heel Vlaanderen hun zorg inkopen. Het staat een voorziening vrij om al een licentie te vragen, ongeacht of ze al een kandidaat PGB houder hebben, dan wel om te wachten tot zich aandient.

Het besluit van de Vlaamse regering voorziet dat het VAPH ook andere organisaties een licentie kan verlenen. Wie dat precies kan zijn, is nog niet duidelijk. Qua soort organisaties zullen het vzw’s of openbare besturen zijn. Of ook commerciële organisaties worden toegelaten, is nog niet beslist. In elk geval zal de procedure voor licentietoekenning voor niet- VAPH erkende organisaties veel strenger zijn. Er zullen kwaliteitseisen worden opgelegd en ook deze licentiehouders zouden de loon- en arbeidsvoorwaarden van PC 319 moeten volgen.

Hoe worden de licentiehouders betaald?

Ofwel wordt de licentiehouder betaald door de PGB houder, ofwel rechtsreeks vanuit het VAPH indien gekozen wordt voor een trekkingsrecht.
Ingeval van cash-geld, ontvangt de PGBhouder een voorschot van het VAPH. Daarmee kan hij de factuur van de voorziening betalen.
Bij trekkingsrecht wordt er een overeenkomst gemaakt tussen licentiehouder en budgethouder. Op basis daarvan betaalt het VAPH het voorschot aan de licentiehouder. De keuze van de financieringswijze indien de persoon zorg-in-natura wil inkopen bij een licentiehouder is een onderdeel van de onderhandeling tussen PGBhouder en licentiehouder. Je komt dus samen de financieringswijze overeen.
Een combinatie van beide systemen is mogelijk.

Overeenkomst

De licentiehouder moet een overeenkomst afsluiten met de PGBhouder. Hij onderhandelt met de PGB houder wat de wijze van betaling zal zijn (cash of trekkingsrecht), wat de geboden ondersteuning is en de prijs van de ondersteuning, de prijs van woon en leefkosten.
Wat de geboden ondersteuning is, kan alle vormen aannemen. Het kan gaan om ambulante ondersteuning, semi-residentieel of residentieel. De vraagverduidelijking en het ondersteuningsplan van de persoon zullen uiteraard aangeven wat de persoon vraagt.
De PGB houder kan zich bij deze onderhandeling laten ondersteunen, bijvoorbeeld door een budgethoudersvereniging.
De overeenkomst bevat in elk geval alle financïele regelingen, de aard en de frequentie van de dienstverlening, de klachtenregeling, de opzegtermijn, de inspraak…
De facturatie aan de PGBhouder gebeurt minstens per kwartaal. In geval van rechtstreekse  betaling door het VAPH aan de licentiehouder, wordt ook een dubbel bezorgd aan de PGBhouder, in functie van transparantie en het kunnen opvolgen van het budget.

Hoe werd het budget van de PGB houders bepaald?

Alle kandidaten zijn ingeschaald met het nieuwe inschalingsinstrument dat werd ontwikkeld vanuit de studie zorggradatie. Het schaalt de ondersteuningsbehoefte van de persoon in op verschillende parameters : de nood aan permanentie voor wonen (P), de begeleidingsintensiteit voor wonen (B), de nood aan nachtpermanentie (P), de nood aan permanentie bij dagbesteding (Pdb), de begeleidingsintensiteit voor dagbesteding (Bdb) en de aanvullende begeleiding dagbesteding in het weekend (Abdb).
Op basis van deze inschaling van de ondersteuningsnoden is een budget bepaald. Het zijn de ondersteuningsnoden van de cliënt los van zijn sociale context, die het budget bepalen.
Dit is het maximaal inzetbare budget. Een PGBhouder hoeft niet of niet meteen zijn hele budget te gebruiken. Maar hij kan het ten alle tijde activeren.

Basisbudget

Aan elk van die parameters is een budget in geldwaarde gehangen. Dat is gebeurd op basis van het materiaal uit de studie zorggradatie. Men heeft dus aan elke waarde van de  parameter een urenpakket met bepaalde kwalificaties toegekend en omgezet in een geldwaarde door rekening te houden met de gemiddelde anciënniteit in de sector (15 jaar).
De optelsom van de geldwaarde voor al de parameters is het basisbudget, bedoeld voor de rechtstreekse zorg.
De basisbudgetten variëren van 4.800 tot 50.000 euro. Dit zijn de budgetten die men maximaal kan inzetten voor de directe zorg. Dit budget is aan de PGBhouders per brief meegedeeld op 21 april 2009.

Omkaderingskost

Bovenop dat basisbudget krijgt men een omkaderingskost.
De PGBhouders die met persoonlijk assistenten werken en/of reguliere diensten krijgen 2% bovenop hun basisbudget.
Bij inkoop bij licentiehouders, komt er 15% bovenop aan omkaderingskost, bedoeld voor de organisatiegebonden personeel en organisatiegebonden werkingsmiddelen.
Bij een combinatie van de beide moet uiteraard een verdeelsleutel toegepast worden. Voor het gedeelte dat men inzet via de aanwerving van persoonlijke assistenten 2%, voor het gedeelte waarmee men inkoopt, 15%.

Hoe komt de omkaderingskost bij de licentiehouders terecht?

De persoon die cash betaalt, krijgt ook de 15% omkaderingskost uitbetaald. Hij weet dat de voorziening hem deze 15% zal aanrekenen.
Wordt er via trekkingsrecht gewerkt, dan betaalt het VAPH rechtsreeks deze 15% aan de voorziening.

De bestedingsregels en bewijslast

Het basisbudget is dus bedoeld voor de inzet van zorggebonden personeel. Het kan niet dienen voor (para)medische prestaties die ook via het RIZIV kunnen. Het dient ook niet voor leef- en verblijfkosten, die worden door de persoon zelf betaald of hem aangerekend. Het is ook niet voor organisatiegebonden personeel of werkingsmiddelen, daarvoor dient de 15% omkaderingskost.
Het VAPH wil aangetoond zien dat met het basisbudget extra personeel (buiten de dagprijs of het de ambulante subsidiëring) heeft aangeworven.
In het basisbudget gaat het dan over de loonkosten (volgens loon-en arbeidsvoorwaarden PC319) en de 3,2% bijkomende forfait.

Het VAPH moet immers nagaan dat er geen dubbele subsidiëring is van personeel dat reeds via de dagprijs of via de subsidiëring van de ambulante dienst wordt betaald.  Je moet geen link aantonen tussen het aangeworven personeel en de ondersteuning van de PGB houder.
Je kan dus zelf bepalen waar je het bijkomende personeel inzet. De afgesproken dienstverlening aan de PGB houder moet natuurlijk wel geboden worden.
Ook voor de bewijslast voor de 15% omkadering worden nog richtlijnen gegeven. Men wil daarvoor in het kader van het experiment ook aangetoond zien hoe ze besteed worden.

Nu verder?

Het VAPH zal de richtlijnen nog verder uitwerken en communiceren aan alle voorzieningen en diensten. In de loop van het experiment zullen wellicht nog veel vragen opduiken.

Bron: Informatief 2009/051 Vlaams Welzijnsverbond  


Naar boven |